Efteling, door de ogen van een 4-jarige

In alle vroegte loop ik met Jongste Zoon aan de hand door een verlaten Efteling. Het gezelschap waarmee wij zijn, spoedt zich rechtstreeks vanuit de luxe hotelkamer naar de Vliegende Hollander en naar Droomvlucht. Jongste Zoon wil niet. Zijn verbeelding vloeit over in de werkelijkheid en weer terug. In zijn ogen is Doornroosje net zo echt als de juf op school en als ergens gillende mensen in zitten (bobsleebaan), doe je zoiets zeker niet voor je lol! Jongste Zoon wil in de stoomtrein (‘stoom-lo-co-mo-tief, mam; géén trein!’) en in de autootjes die hij zelf kan besturen. En heel misschien wil Jongste Zoon wel in de bovengrondse monorail in het Land van Laaf, al was het alleen maar om mij te plezieren, zo schijnt hij te denken (‘Alleen als je lief bent, mama!’).

De stoom-lo-co-mo-tief is in geen velden of wegen te bekennen. De klok op het stationnetje geeft de geweldige tijd van half elf aan. En het is nog maar tien uur. Beteuterd bijt Jongste Zoon op zijn lip. ‘Dan maar in dat ding bij het Land van Laaf,’ geeft hij spijtig toe. We zijn de allereerste. Dat zegt misschien ook wel het nodige over dit deel van het pretpark… We omzeilen de, met touwen afgezette, wachtrijen, beklimmen lustig de houten trappen en laten ons parmantig vallen in één van de wagonnetjes. Het meisje met, de op afstand bestuurbare, knop lacht naar ons en start gewichtig de eerste rit van de dag. Langzaam kabbelen we de baan af. De eerste ‘achtbaanervaring’ van Jongste Zoon. Hij straalt.

Precies op tijd staan we weer bij het stationnetje. De klok staat nog steeds op half elf en er heeft zich een bescheiden rij gevormd van ouders met kinderen in buggy’s. Jongste Zoon speurt verwachtingsvol in het rond, op zoek naar een stoomwolk. Die is er niet om halfelf, niet om tien over halfelf en ook niet om kwart voor elf. De rij begint te zuchten en te steunen. Op een bordje staat te lezen dat deze stoomtrein gesponsord wordt door de NS. (Voorspelbare grapjes vliegen ons om de oren.)

Om elf uur zitten Jongste Zoon en ik eindelijk in de stoomtrein. Hij kan zijn geluk niet op, maar blijkt van korte duur. Bij het eerste station sprint hij – mij met zich mee trekkend - uit de coupé en huppelt richting de Tuftuf-club. Zo, los van het gezelschap waarmee we zijn, heeft Jongste Zoon de tijd van zijn leven. Ben benieuwd hoelang dat nog duurt… (LdR, 10 september 2007)

Wie zijn neus schendt...

  Lees verder...

Het Henschotermeer

  Lees verder...

Vakantie is nergens goed voor

  Lees verder...

Amandelkwestie

  Lees verder...